Kunstrijden is dus een sport waarbij je op heel veel gebieden het uiterste uit jezelf kunt halen, als je dat wilt. Heb je daar geen zin in, dan is het ook mogelijk om zich recreatief met kunstrijden bezig te houden. |
Je hebt veel verschillende soorten wedstrijden. Enerzijds heb je de wedstrijden die je op de televisie ziet zoals de Olympische spelen, wereldkampioenschappen, Europese kampioenschappen en de Nederlandse kampioenschappen. Om hieraan mee te mogen doen moet je voorrondes doorlopen waarin je beter moet presteren dan de anderen. Wil je een kans hebben om aan dit soort wedstrijden mee te kunnen doen, dan moet je heel jong beginnen, het liefst als je een jaartje of 5 oud bent. Krijg je pas als je 15 of zelfs 25 bent de kunstschaatskriebels, dan wil dit niet zeggen dat je geen wedstrijden kunt rijden. Je hebt wedstrijden zoals de KNSB cup waar je tot ver in de 30 aan mee kunt doen en waar de deelnemers naar niveau worden ingedeeld, zodat iedereen een eerlijke kans krijgt op een medaille. Om hieraan mee te kunnen doen moet je wel veel sprongen springen. Heb je helemaal geen aanleg voor het springen maar ben je ontzettend artistiek, dan kun je ook aan artistic skate wedstrijden meedoen. Dit zijn wedstrijden waarbij het aantal en de moeilijkheid van de sprongen is begrensd, maar de presentatie en het verhaal dat je probeert te vertellen op het ijs des te harder tellen. Deze wedstrijden vereisen een heel andere kur dan wedstrijden waarbij er op de sprongen wordt gelet, waardoor sommige kunstrijders die wel heel goed kunnen springen het toch leuk vinden om eraan mee te doen. Besluit je nou echt pas als je 35 of nog ouder bent om het kunstrijden te gaan leren, dan moet je er rekening mee houden dat je veel minder snel zult leren dan kinderen dat doen. Om het toch leuk te houden voor volwassenen bij wedstrijden, worden er voor volwassenen aparte wedstrijden georganiseerd. De conclusie is dus dat je op bijna elke leeftijd wedstrijden kunt doen in het kunstrijden! |
Als je op televisie naar het kunstrijden kijkt, dan zie je soms een vrouw alleen schaatsen, soms schaatst een man alleen, en soms schaatst een vrouw samen met een man. Soms springen die vrouw en de man dan, en soms ook niet. Waar hangt dit van af? Eigenlijk is kunstrijden alleen het schaatsen op muziek waarbij er ook gesprongen wordt. Als er niet wordt gesprongen, dan heet dit ijsdansen. IJsdansen wordt gedaan door een man en een vrouw samen. In Nederland heb je weinig clubs die zich bezig houden met het ijsdansen. Kunstrijden bestaat uit enerzijds het paarrijden en anderzijds het solorijden. Bij het paarrijden schaatst een man samen met een vrouw, die zijn vaste schaatspartner is. Sprongen en pirouettes worden zo goed mogelijk tegelijkertijd uitgevoerd. Bij het solorijden rijdt een man of een vrouw alleen, en doet zo goed mogelijk zijn of haar sprongen, pirouettes en andere elementen. Het solorijden is in Nederland vooral heel populair. Hoewel er veel meer meisjes en vrouwen dan jongens en mannen zijn die kunstrijden, is het kunstrijden geen vrouwensport. Voor mannen bestaan er in het kunstrijden andere regels dan voor vrouwen. Van mannen wordt meer kracht en minder lenigheid gevraagd dan van vrouwen, en ook rijden mannen meestal stoerdere kuren op stoerdere muziek dan vrouwen. |
Als je een paar kunstschaatsen omdraait en naar de ijzers kijkt, dan zie je dat de ijzers er van onder niet zo uitzien: ------ maar zo: ===== Langs de hele lange kant van het ijzer heb je dus langs de beide zijkanten scherpe randjes, terwijl er in het midden een soort van gleufje loopt. De twee zijkanten worden kanten genoemd, respectievelijk de binnen- en de buitenkant. Je staat op de buitenkant van je ijzer als je op de buitenkant van je voet staat, en je staat op de binnenkant van je ijzer als je op de binnenkant van je voet doorzakt. Sta je op je rechtervoet op de buitenkant van je ijzer, dan ga je vanzelf een boog naar rechts maken, het maakt daarbij niet uit of je naar voren of naar achteren schaatst. Sta je op je rechtervoet op de binnenkant van je ijzer, dan ga je vanzelf een boog naar links maken, ook daarbij maakt het niet uit of je naar voren of naar achteren schaatst. De techniek van het kunstrijden hangt heel erg sterk samen met het correcte gebruik van deze kanten. Omdat de kanten zo dun zijn, vereist het correcte gebruik ervan veel oefening en een goed gevoel van evenwicht. ![]() Daarnaast is het ook belangrijk dat je schaatsen goed scherp en correct geslepen zijn. Kunstrijders die al wat beter zijn, voelen vaak dat hun ijzers bot worden als bepaalde dingen moeilijker lukken op het ijs. Beginnende kunstrijders controleren hun ijzers op verschillende manieren, bij voorbeeld door er een nagel haaks langs te halen. Sommige kunstrijders houden ervan als de kanten echt heel scherp zijn en het gleufje tussen de kanten heel diep, anderen hebben hun ijzers liever iets botter. |
Wanneer men een pirouette draait, dan draait men heel snel op 1 plek op het ijs veel rondjes rondom de eigen as. Veel mensen denken dat je de pirouette op je puntjes draait, maar dat is niet zo. Een pirouette draai je gewoon met je ijzer op het ijs, al komt de ijzer bij de hiel wel een klein beetje los van het ijs. Hieronder zie je enkele voorbeelden van de pirouettes met op de foto's (van links naar rechts) de himmelpirouette, zitpirouette en biellmann pirouette. ![]() Er bestaan talloze pirouettes en af en toe wordt er nog weer een nieuwe variatie uitgevonden door een kunstrijder of kunstrijdster ergens in de wereld. ![]() ![]() ![]() |
De sprongen worden onderscheiden op basis van de kant waar men op staat, en het been welke gebruikt wordt, direct voordat men de lucht in gaat. Veel sprongen gebruiken een aanloopje waarbij men overstapt of een draai maakt, deze tellen helemaal niet mee. Je mag het aanloopje gebruiken welke je zelf fijn vindt. Alleen de laatste kant voordat je de lucht in gaat telt dus. (hier komen illustraties uit een kunstschaatsboek) 1. De cadet. Dit is een sprong waarbij je bij de afsprong op de buitenkant van je ijzer staat, terwijl je vooruit glijdt. Je maakt een halve draai in de lucht, en je landt op het andere been dan waar je vanaf gesprongen bent. 2. De spot (ook wel cherryflip of toeloop genoemd). Dit is een sprong waarbij je op de buitenkant van je ijzer staat terwijl je naar achter glijdt. Je prikt met het andere been achter in, en draait een volle draai. Je landt vervolgens op hetzelfde been als waar je op gleed (dus niet het been waar je mee inprikt). ![]() 3. De salchow. Dit is een sprong waarbij je op de binnenkant van je ijzer staat terwijl je naar achter glijdt. Je springt direct van de kant af, en draait een volle draai. Je landt op het andere been dan waar je vanaf gesprongen bent. ![]() 4. De rietberger, ook wel de loop genaamd, is een sprong waarbij je op de buitenkant van je ijzer staat terwijl je naar achter glijdt. Je springt net zoals bij de salchow direct van de kant af, en draait een volle draai, maar je landt op hetzelfde been als waar je vanaf gesprongen bent. Land je de rietberger op de andere voet dan die van welke je bent afgesprongen, dan doe je nog een andere sprong die, hoewel hij een volle draai maakt, toch niet als echte volle sprong telt. ![]() 5. De flip is een sprong waarbij je op de binnenkant van je ijzer staat terwijl je naar achter glijdt. Je prikt in en springt een volle draai, waarna je op hetzelfde been landt als waarmee je hebt ingeprikt (dit in tegenstelling tot de spot). ![]() 6. De lutz is een sprong die heel veel op de flip lijkt, maar moeilijker is. Bij de lutz moet je namelijk van de buitenkant afspringen, terwijl de rest net zo als bij de flip gaat. Als je de lutz niet goed kunt, dan spring je per ongeluk soms toch de flip. Zo een mislukte lutz noemt men soms ook wel een flutz. ![]() 7. In tegenstelling to alle andere enkele sprongen, die 1 draai in de lucht maken, maakt de zogenaamde enkele axel 1,5. Je springt de axel net zo als de cadet, maar je maakt een extra draai in de lucht. Dit maakt de axel extra moeilijk om te leren. Behalve de enkele sprongen heb je ook nog de dubbele, drievoudige en viervoudige sprongen. De afsprong en landing gaan bij de dubbele sprongen hetzelfde als bij de enkele, maar er wordt een extra draai in de lucht gemaakt. De dubbele spot, salchow, rietberger, flip en lutz maken dus 2 draaien in de lucht, terwijl de dubbele axel 2,5 draaien in de lucht maakt, et cetera. Hieronder zie je een drievoudige axel schematisch afgebeeld. ![]() |
Zweefstanden zijn makkelijk van andere figuren op het ijs te onderscheiden doordat bij een zweefstand de schaatser heel lang op 1 been blijft staan en vaak over de hele lengte van de ijsbaan glijdt. Meestal worden zweefstanden gedaan door vrouwen, terwijl mannen er passenseries voor in de plaats doen. Zweefstanden worden geclassificeerd aan de hand van de positie die men aanneemt, men kan bijvoorbeeld het vrije been vasthouden of zelfs boven het hoofd halen, net zoals bij de pirouettes, en aan de hand van de kanten(wissels) die in de zweefstand gebruikt worden. Een zweefstand vereist een goed gevoel voor evenwicht, zodat je niet voor- of achterover valt. Voor een echte zweefstand is het nodig dat het vrije been, welke achter uitgestrekt wordt, parallel aan het ijs loopt of nog hoger wordt gehouden. Meestal hebben schaatsers het gevoel het been veel hoger te houden dan werkelijk het geval is. |
Schaatsen kunnen in prijs erg varieren. Van een tientje op marktplaats voor afgetrapte en dunne schaatsjes tot 500 euro of zelfs meer voor de beste schaatsen die een producent maakt. Hoe weet je nu welke schaatsen goed zijn? De prijs van schaatsen is grofweg genomen - verschillen in prijs tussen merken daargelaten - een afspiegeling van de hardheid van de schaats. Het is echter niet zo dat duurdere en hardere schaatsen automatisch beter zijn. De schaatsen moeten enerzijds bij onder andere de landingen van de sprongen de voet goed vasthouden - hiervoor moeten zij stevig zijn. Echter, om goed te kunnen schaatsen moet je ook goed je knieen kunnen buigen. Hiervoor moeten de schaatsen dan weer niet zo stevig zijn, zodat je ze nog wel in kunt breken. De goede hardheid hangt af van het niveau van de schaatser. De maten van schaatsen verschillen van schoenmaten, daarom moet je schaatsen altijd aanproberen. Goed passende schaatsen hebben voldoende ruimte om met 1 paar sokken je tenen een beetje te bewegen als je je hiel helemaal naar achter in de schaats doet, je veters vanaf de tenen strak strikt en gaat staan. Te veel of te weinig teenruimte maakt het leren moeilijker. |
Je hebt veel verschillende soorten ijzers, in de prijscategorieen van een paar tientjes tot vele honderden euros. Zowel de materialen als de manieren om de ijzers te slijpen kunnen verschillen en het is belangrijk om ijzers te hebben die bij het niveau van de schaatser passen. De belangrijkste verschillen bij ijzers zijn: 1. De ronding van de ijzer, die zo flauw is dat je hem nauwelijks ziet waardoor veel mensen denken dat ijzers gewoon plat op het ijs staan. Helemaal platte ijzers zijn geen goede ijzers, daar kun je namelijk heel veel dingen niet op doen. Afhankelijk van wat de kunstrijder precies met de ijzers doet, kan echter een meer of minder sterk geronde ijzer de voorkeur hebben. 2. De puntjes van de ijzer. Het onderste puntje mag nooit afgeslepen worden, omdat je deze nodig hebt voor je balans. Soms kunnen onkundige slijpers per ongeluk dit puntje eraf halen. Laat daarom altijd je ijzers slijpen bij een gespecialiseerde schaatswinkel, en niet door slijpers van de gemeente of iets dergelijks. Ijzers waar je goed mee kunt springen, hebben hele dikke punten aan de ijzers. Vooral de bovenste punt is dan groot aangezet, omdat je vooral daarmee inprikt bij sprongen. Ijzers voor ijsdansers of kunstrijders die nog niet heel erg moeilijke sprongen doen, hebben veel kleinere punten zodat zij niet in de weg zitten. Hieronder zie je het verschil tussen springijzers en ijzers die niet bedoeld zijn voor grote sprongen. ![]() 3. De achterkant van de ijzer wordt bij ijsdansers veel korter gemaakt dan bij kunstrijders. Hieronder zie je het verschil. ![]() |
In de zomer blijven er een aantal ijsbanen zoals Hoorn, Den Bosch, Turnhout en Zoetermeer meestal open. Dit is echter niet genoeg voor alle kunstrijders, daarom is zomerijs meestal vrij duur en niet voor iedereen beschikbaar. Daarnaast organiseren sommige ijsbanen in Nederland maar ook in het buitenland zomerkampen, waar dan kunstrijders uit soms heel Europa op afkomen. Dan is het mogelijk om tegen betaling gedurende een of enkele weken heel intensief te trainen onder begeleiding van goede coaches. Verder is het mogelijk te trainen met rolschaatsen (twee wieltjes voor, twee wieltjes achter en een stop voor) of kunst-inline skates met een stop voor zoals de PIC of de Snowwhite. Daarnaast heb je in sommige landen de mogelijkheid om te schaatsen op plastic ijs, welke met een soort van olie wordt bedekt om goed te glijden. Het schaatsen op rolletjes of plastic ijs gaat echter net wat anders dan het schaatsen op echt ijs, waardoor kunstrijders het liefst echt ijs hebben. Verder is het mogelijk in de zomer te werken aan de conditie, lenigheid en artisticiteit door andere sporten zoals bijvoorbeeld ballet te beoefenen. Verder bestaan er om pirouettes te oefenen speciale apparaatjes waarmee je de draaiing nabootst, en is het ook mogelijk om sommige sprongen zogenaamd droog te oefenen, dus op een gewone vloer met sportschoenen aan. |